Deze site is gewijd aan de joodse kunstenaar Salomon Meijer. Een poging een zo volledig mogelijk overzicht te maken van zijn werk.

Op de Zwanenburgwal 10 bij het Sint Anthoniesluisje tussen de Jodenbreestraat en de Sint Anthoniebreestraat is op 6 december 1877 Salomon Meijer geboren. Beide ouders waren werkzaam in de diamantbewerking. Vader was een roosjesslijper en moeder een roosjesversteller. In het handwerk van de diamantslijperij waren beiden specialisten. Jonge Sally bezocht de lagere school aan het Waterlooplein en het viel daar op dat hij zo goed kon tekenen. Dikwijls werden zijn tekeningen aan de muur van het klaslokaal gehangen. In die tijd was het gebruikelijk dat men ’s avonds tekenles kreeg. Zijn tekenmeester heette Bes. Het hoofd van de school was Anton Drop. Bovenmeester Drop kwam altijd waarschuwen als de tekenles om was. Op een keer zei de kleine Sally, verdiept in zijn tekenwerk: “nu al?” Dat was de keer waarop meester Drop hem over het  hoofd streek en zei: “jij was weer erg vlijtig vanavond”.

In 1891, hij was toen 13 jaar, ging hij evenals zijn ouders het diamantbewerker vak in. Oom “Sjoetje” Vigeveno, die een juwelierszaak bezat in de Sint Anthoniebreestraat, had een eigen baas met slijperij ter beschikking. Daar ging Sally in de leer. Hij kreeg het ambacht echter zo goed onder de knie dat hij zelf patroon werd, werkend voor zijn neef die de zaak van zijn vader overgenomen had. Nadat hij eerst leerling diamantslijpen was geworden besteedde hij bijna al zijn vrije tijd aan tekenen en schilderen. Op de zaterdag nam hij voor f 2,50, een behoorlijk grote uitgave voor die tijd, privéles bij Marie de Roode-Heijermans, zuster van de schrijver Herman Heijermans. Bij haar leerde hij vooral de uitdrukking van de stof te beheersen. Om zich beter in het perspectief te bekwamen bezocht hij de Da Costaschool en later op aanraden van de oude Jozef Israëls de tekenschool voor kunstambachten Hendrik de Keyser. In augustus 1904 verwierf  Salomon Meijer, na een drie dagen durend examen, de Akte van Bekwaamheid voor Lager Onderwijs. Hij heeft er nooit gebruik van gemaakt. Modeltekenen deed  hij bij de vereniging Sint Lucas. David Schulman wist daarover destijds nog een kostelijke anekdote te vertellen. Sal Meijer was een zeer enthousiaste bezoeker van de avonden modeltekenen bij Sint Lucas, maar daar moest voor betaald worden en hij zat vaak krap in zijn financiële middelen. Daarom probeerde hij mogelijkheden te vinden om aan een goedkoper model te komen. Zijn oog viel op een buurmeisje aan de Raamgracht, waar hij nu met zijn ouders woonde. Na enige aarzeling sprak hij haar aan en vroeg haar of zij voor hem wilde poseren. Dat wilde ze wel. Maar ook naakt? Dat moest eerst aan haar ouders gevraagd worden. De ouders schrokken, weliswaar was Sal een jongeling van  onbesproken gedrag, maar naakt model staan in een schildersatelier, néé dat nooit. Sal heeft zijn leven lang een voortreffelijke eigenschap gehad: hij liet zich nooit uit het veld slaan. Zo ook deze keer. Hij wist dat de slaapkamer van het meisje pal naast de zijne was. Stel dat hij nu over een middel beschikte om in die kamer te kijken, dan had hij helemaal geen toestemming van ouders of wie dan ook nodig. Dus de boor werd ter hand genomen en hij boorde voorzichtig een gaatje in de muur. Helaas raakte hij de loden pijp van de waterleiding, zodat deze proefboring uit liep op een groot waterballet.

Naarmate de tijd verstreek verminderde zijn belangstelling voor het diamantbewerker vak en werd de drang naar de schilderkunst krachtiger. Met prof. August d’Allebe besprak hij de mogelijkheden om zich geheel aan de kunst te wijden maar de professor uitte de wijze woorden: “Er zijn artiesten die hoger staan dan jij, maar die graag met je zouden willen ruilen”. Er werd dus duidelijk de materiële omstandigheden bedoeld. Sal besloot vooralsnog in het diamantvak  te blijven. Met behulp van Henri Polak vond hij een baas waar hij drie dagen in de week kon werken. “Maar de gedachten in mijn hoofd zijn steeds ergens anders”, zei hij telkens. Enkele jaren werkte hij ’s winters als slijper en ’s zomers trok hij er op uit als schilder. Hoewel het een goede tijd was en er flink verdiend werd, hakte hij in 1914 de knoop door en verliet de slijperij voorgoed.

In de volgende jaren voorzag hij in zijn onderhoud door de verkoop van zijn werk, voornamelijk Amsterdamse stadsgezichten op klein formaat ets. Op de een of andere manier wist hij er altijd vrij vlot kopers voor te vinden. Een uitspraak van hem was: “Ik heb veel kennissen onder de joden. Zo heb ik me er doorheen geslagen”. Hoe dit in de praktijk in zijn werk ging blijkt uit de onafzienbare boekhouding die hij in schoolschriften, blocnotes en notitieboekjes heeft bijgehouden. Bij tal van kunsthandels, niet alleen in Amsterdam maar ook in New York en Kaapstad had hij etsjes  uitstaan. Ook het Amstel Hotel, Krasnapolsky, Schiller en Carlton hadden zijn werk voor hun buitenlandse gasten in voorraad. De portiers van de genoemde hotels verkochten ook werk van hem op een soort van provisiebasis. Sal schreef ook brieven naar belangrijke personen om ze te overtuigen werk van hem te kopen.

Op 37 jarige leeftijd verhuisde Sal, die nog bij zijn ouders woonde, met het hele gezin naar de Camperstraat. Na het overlijden van zijn moeder in 1915 en van zijn vader in 1920 is hij bij zijn broer Mark, die inmiddels was getrouwd, in het ouderlijk huis blijven wonen. Het zijn de meest productieve jaren van zijn leven geweest. In die tijd leerde hij Elisabeth Giehl kennen. Zij was een Duitse niet-Joodse vrouw, negentien jaar jonger dan Sal, die na de Eerste Wereldoorlog naar Nederland is gekomen. Door het voornemen om met haar in het huwelijk te treden kwam hij in grote moeilijkheden met zijn broer. Omdat Sal aan zijn broer een flink bedrag aan kostgeld betaalde, hoefde deze zelf niet zo hard te werken. Op een dag liepen de spanningen zo hoog op dat Sal een flauwte kreeg. Hij hield echter voet bij stuk en het huwelijk werd op 8 mei 1930 gesloten. Er werd géén receptie gehouden. Het echtpaar ging zich vestigen in de Daniël theronstraat in Amsterdam-Oost. Het was slechts van korte duur want het volgende jaar verhuisden zij naar het huurhuisje aan het Kerkpad te Blaricum. Dát het echtpaar naar Blaricum verhuisde, had te maken met de gezondheid van zijn vrouw en “motieven voor het schilderen” aldus Sal. Vreemd genoeg meldde hij deze verhuizing niet aan de burgerlijke stand in zijn nieuwe woonplaats, zodat vele jaren later de Blaricumse administratie tot de ontdekking kwam dat de gemeente twee inwoners méér telde dan in de registers was vastgelegd. Na zijn huwelijk verdiende Sal buiten de verkoop van tekeningen, schilderijen en etsen de kost als  vertegenwoordiger in reformartikelen: alcoholvrije appelwijn en honing van de Adelshoeve.

Het meest schrijnende feit is dat hij vanaf 1932 jaren achtereen een groot deel van het huisje heeft verhuurd aan zomergasten. Gezien het bovenstaande verzoek om kwijtschelding van belasting, kredieten voor materiaal en andere tegemoetkomingen is de verhuur van kamers waarschijnlijk bittere noodzaak geweest. Niet alleen de voorkamer, die niet in gebruik was, werd verhuurd, ook de twee slaapkamers boven werden afgestaan aan vakantiegangers. Per dag betaalden ze daarvoor f 3,50. Voor Sal, zijn vrouw, de zes katten en de schildersezel bleef er één kamer beneden en de zolder die volgepakt stond met schilderijen, over. Met de plaatselijke slager had hij een plezierige relatie. Sal mocht bij hem wel eens van de telefoon gebruik maken. Als  contraprestatie bracht Sal hem op een dag een schilderijtje van een sappige rollade. Zijn enige liefhebberij naast het schilderen was het schaakspel. In de nalatenschap zijn tientallen knipsels van schaakrubrieken uit diverse kranten aangetroffen.

De Tweede Wereldoorlog bracht nieuwe moeilijkheden en deze waren van veel ernstiger aard. Weliswaar was hij als gemengd-gehuwde vrijgesteld van deportatie naar Polen, maar zijn positie werd naarmate de oorlog duurde steeds meer onzeker.

‘Ik ben naar dokter Gribling gegaan voor een attest. Ik hoestte wel eenseen beetje. Hij heeft toen een briefje geschreven dat ik zware bronchitis had en daarvoor in het Gooi moest wonen. Op een dag kwam er een agent aan de deur die zei dat ik in Amsterdam moest gaan wonen. En dat moest nog gauw gebeuren ook, binnen een paar dagen. Ik liet hem dat briefje zien en mocht blijven. Maar na een tijdje kwam de tewerkstelling en daarbij werd niet gekeken naar leeftijd. Wederom ben ik naar dokter Gribling gegaan. Die zei: “Ik zal je een hartkwaal geven, daar zijn ze nogal bang voor”. Weer schreef hij een briefje en ik kreeg ook nog een flesje pillen mee. Dat moest ik elke veertien dagen terugbrengen, dan plakte hij er telkens weer een nieuw etiket op met een nieuwe datum’. Ik vroeg hem: “Dokter, wat ben ik u schuldig?”. Hij zei: “Niets, Joden reken ik geld”. Ik zei: “En die fles pillen dan?”. Hij: “Nou, die krijg ik na de oorlog toch weer terug”.  Briefje en pillen volstonden tegen de tewerkstelling. Tegen het ultimatum in 1943: sterilisatie en bij weigering alsnog deportatie waren briefje en pillen niet bestand. Of de Duitsers werkelijk zo waanzinnig zijn geweest Sal op 65-jarige leeftijd, de grens lag bij 66, de vernedering van sterilisatie te laten ondergaan zal altijd in het ongewisse blijven. Sal heeft zich hierover nooit uitgelaten. In die dagen was Sal ook alles verboden. Hij mocht niet exposeren, niet fietsen en niet wandelen buiten de gemeente. Overigens ontving hij in die jaren wel steun van de illegaliteit. Tussen de nagelaten documenten is een voortreffelijk vervalst persoonsbewijs gevonden, zonder de J die aangaf dat de houder een Jood was, en op naam van Stevan Meijer, kunstschilder, wonend aan de Keizersgracht 524 te Amsterdam.

Twee jaar later, op 75 jarige leeftijd, werd Sal na een operatie, waarbij hij een oog zou verliezen, gedwongen bijna een jaar in het ziekenhuis te verblijven. Dat zijn fysieke gesteldheid hem parten speelde is terug te vinden in zijn notitieboekjes. In een boekje uit 1955 noteerde hij bijvoorbeeld: ‘Ziek geweest. Op woensdag naar bed gegaan. Ik werd toen zeer zwak. Ze zeggen een kleine beroerte Hij kwam er weer bovenop en ging weer aan het werk. “Maar niet meer als voorheen” liet hij zijn vrienden weten. Van een klein stukje roem heeft hij nog intens kunnen genieten. Ter  gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag in 1957 werd hij op grootse wijze gehuldigd door de Gooische Schildersvereniging.  Een jaar later was er een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam en de presentatie van twee van zijn werken op de internationale tentoonstelling ‘Lusthof der Naïeven’ in 1964 in Rotterdam. Sal Meijer overleed in de nacht van 1 februari 1965, men beweerde aan maagkanker, en werd volgens zijn eigen wens begraven op de Joodse Begraafplaats te Muiderberg.

Sal Meijer is een zeer productieve kunstenaar geweest. Aäron Vecht heeft in de jaren 20 en 30 veel werk van hem kocht voor zijn privécollectie en hem kunstvoorwerpen liet schilderen op zijn stillevens in Kunstzalen A. Vecht, gevestigd op het Rokin. Het contact tussen beiden hielp Meijer ten zeerste om zich als vrij kunstenaar te vestigen en te ontplooien.

Aan ieder schilderstuk werd veel tijd besteed. Doordat hij zo oud is geworden en zijn hele leven hard gewerkt heeft, zijn er zoveel schilderijen en etsen uit zijn handen gekomen. Omdat hij veel werk had en daardoor lage prijzen kon vragen heeft hij veel verkocht en kon daardoor min of meer van zijn werk rondkomen. Het is moeilijk na te gaan hoeveel schilderijen Sal gemaakt heeft. Met behulp van zijn notities die hij van zijn verkopen maakte en gegevens over tentoonstellingen waaraan hij deelnam, komt men tot een schatting van tenminste 800 schilderijen. Verder zijn er ongeveer 50 etsen van hem bekend, waarvan een aantal enige honderden keren vermenigvuldigd is, enkele aquarellen en litho’s en een groot aantal tekeningen. Door de dingen die hij schilderde slechts voor een gedeelte te laten zien, wist hij deze in zijn macht te krijgen. Onbelangrijke zaken liet hij weg of sneed ze af. Hij deed dat ondermeer met gevels van boerderijen en de bijbehorende hooibergen en schuren. Hij sprak zelf van een stukje boerderij of een stukje strand en in het algemeen van een schilderstukje in plaats van een schilderij. De gegevens die de realiteit hem moest verschaffen, heeft hij verschoven en in belangrijkheid doen toe- of afnemen totdat hij de juiste plaats er voor gevonden had. Op deze wijze bracht hij hetzelfde onderwerp over op een heel ander formaat. Van een staand schilderij maakte hij een versie in de breedte. Daarnaast maakte hij duplicaten van schilderijen die hem bevielen met de bedoeling er één te verkopen en de mooiste versie te bewaren. Overigens kan niet in alle gevallen worden gezegd dat de eerste versie het beste schilderij was. Bij de herhaling van het onderwerp bracht hij vaak veranderingen aan die veelal verbeteringen waren. Ook voerde hij stadsgezichten, die hem goed bevielen, nog een keer uit in de sneeuw, en met ijsschotsen in het water van de grachten. Nadat hij in Blaricum was gaan wonen heeft hij, geïnspireerd door de landschappen met de zonnige korenvelden, veel van de stadsgezichten opnieuw geschilderd. Onderwerpen die Sal Meijer koos, waren: stadsgezichten met grachten, huizen, straten en bruggen, landschappen uit Blaricum en omgeving met korenvelden, het Mauvezand, huizen die aan de zoom van het bos tevoorschijn komen, en ‘stukjes boerderij’; stillevens van bloemboeketten en schaaltjes met fruit; enkele portretten van mensen en zeer vele poezen.

Teksten uit:

Sal Meijer, zo naïef nog niet door Agnes Grondman, 1986

Sal Meijer, zoon van eenvoud door Geert Jan Jansen, 1968

Sal Meijer, Galerie Mokum tekst Hans van Straaten, 1971

Het Amsterdam van Sal Meijer door Nino van der Enden en Edward van Voolen, 2012